Zielen – deel I

Foto via Pexels

Behalve dat ik graag stukjes typ voor deze site, vind ik het ook leuk om creatief te schrijven. Toen ik amper zelf kon schrijven, dwong ik mijn moeder al om mijn verhaaltjes op papier te zetten. Volgens mij ging de eerste over een hondenvanger.  Eerder heb ik al een kort verhaal gedeeld over hoe een samenleving eruit kan zien die geobsedeerd wordt door geluk. Nu wil ik wat kwijt over zielen. Het zijn wat ideeën en gevoelens die ik al langere tijd heb en die ik nu op papier heb gezet.

Er waren niet heel veel momenten dat we elkaar konden spreken, maar als we elkaar troffen, klaagden we graag wat af. Nu ik erover nadacht waren er maar weinig zielen tevreden met het lichaam dat ze hadden gekregen. Dat was natuurlijk ook het hele idee van verlichting: als mensen zich al zo ver hadden ontwikkeld – zo ver waren gerijpt, als we graag zeiden – waren ze ook geen mens meer. Hadden ze ons niet meer nodig.

Het was frustrerend om een ziel te zijn. Ik had nog nooit in andere wezens gezeten, net als mijn mede-zielen, maar vroeg me wel eens af hoe dat zou zijn. Was de mens werkelijk zo kortzichtig of waren alle schepsels op aarde zo? Het leek wel alsof ze niet in contact met zichzelf wilden komen, alsof ze continu voor zichzelf op de vlucht waren. Ze leidden zichzelf af met wat maar mogelijk was: de slechte dingen, zoals alcohol, drugs, gokken, seks; maar ook met een druk gezinsleven of een veeleisende baan. Alles om maar niet stil te hoeven staan.

Het naarste was wel nog wel dat het steeds erger werd. Niet alleen mensen stonden steeds minder in contact met zichzelf en de wereld om hen heen. Het leek wel alsof de hele mensheid aan het afglijden was. Ze sloopten zichzelf, elkaar, de wereld. Als ze op dit tempo doorgingen, was de aarde over honderd jaar onbewoonbaar.

Het was een spiraal, maar dan naar beneden.

Misschien deden wij zielen ons werk ook wel niet goed. Wij waren immers verantwoordelijk voor het rijpen van de mens.

De momenten dat we met elkaar in contact konden komen, waren op één hand te tellen. Het kon alleen als onze mensen hun hoofd wisten uit te zetten, los wisten te komen van het irritante stemmetje dat hun leven regeerde – hun ego – en als hun bewustzijn dan opeens open stond. Dat was meestal als ze sliepen, maar soms ook bij bepaalde soorten drugs en kleine, gelukzalige momenten waarbij er verder even niets was. Sommige mensen wisten er door yoga en meditatie te komen.

De ironie was dat ze dan zelfs soms door hadden dat ze bij hun ziel kwamen, alleen wisten ze niet hoe waar dat echt was. Zo had mijn mens – Lisa, een ietwat dwaas meisje van begin twintig – tijdens een door truffels geïnduceerde trip zichzelf diep in de spiegel aangekeken en vol ontzag gefluisterd: ,,Ik voel mijn ziel.’’ Dat moment had ik gewenst dat ik armen en handen had en een hamer om haar mee te bewerken. Het domme mens.

Nu sliep ze, half tegen haar verovering van die nacht aan, en had ik tijd om met mijn medeziel in gesprek te gaan terwijl onze gastheer- en vrouw in dromenland waren.

,,En, hoe is het bij jou?’’ begon ik.

Wij zielen hadden geen gezicht, dus ook geen gezichtsuitdrukking, maar als hij die zou hebben gehad, had hij gefronst. We konden elkaar namelijk wel aanvoelen. Zie het maar als een soort eindeloze zee van bewustzijn, waarin je de rimpelingen voelt van de beweging van anderen.  

Hij is overigens niet helemaal een juiste benaming. We hebben immers zelf geen lichaam, dus ook niets om ons mee te identificeren. Daarom nam ik meestal het geslacht over van het lichaam waar ik in zat, al had ik het daarmee ook wel eens mis gehad.

,,Tja, ik begin me bijna af te vragen of wij zielen ook één of ander pad moeten afleggen. Dat we ook moeten groeien. Het lijkt wel alsof ik alleen maar met hersenloze idioten word opgescheept.’’

Ik lachte en ook weer niet. Je snapt wel wat ik bedoel. ,,Vertel mij wat. In een vorig leven was ik Ché Guevara, nu zit ik vast in het lichaam van dit onnozele wicht. Alleen als ze genoeg drank op heeft, denkt ze erover de barricades op te gaan.’’

,,Ik heb altijd medelijden met de ziel die in het lichaam van Hitler heeft gezeten.’’

,,Misschien is hij wel verder op het pad dan wij.’’

Daardoor moesten we lachen – op onze manier – en toen viel het stil. Misschien had hij wel gelijk en kregen we moeilijke mensen toegewezen gekregen als beproeving.

– Wordt snel vervolgd! –

You may also like

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *