Nepal deel I: een les in loslaten

Ik vind reisverhalen van anderen altijd leuk om te volgen en te lezen. Meegevoerd worden naar een ander land, je inbeelden dat je ook op die mooie berg staat. En zeker als mensen wat verder en langer weggaan, gebeuren er vaak interessante dingen. Het lijkt me daarom wel wat om ook wat over mijn reisavonturen hier te delen, te beginnen met Nepal. Voor mij ook leuk om terug te blikken 🙂

In april 2018 ben ik een maand naar Nepal geweest. Het besluit om daarheen te gaan, ging wat spontaan, maar zo gebeuren de beste dingen volgens mij. Het jaar daarvoor was een lange relatie uit gegaan en ik was nog nooit buiten Europa op vakantie geweest. Dat was iets wat ik graag wilde doen. Om één of andere reden kwamen Sri Lanka en Nepal in me op. Azië heeft me altijd aangesproken en deze landen waren redelijk geschikt om alleen naartoe te gaan. Nepal leek bij nader onderzoek beter te zijn voor iemand die nog nooit alleen ver weg was geweest. Nepalen zijn bijzonder vriendelijk en er is bijna geen criminaliteit in het land. Voor ik het wist, had ik mijn ticket met de KLM en Qatar Airways geboekt.

Ik vermaakte me prima met de voorbereidingen. Een backpack uitzoeken, bergschoenen kopen. Geld stukslaan op vaccinaties bij de GGD – iets minder leuk. Twee dagen voor ik wegging, had ik koorts en was ik in totale paniek. Ziek naar de andere kant van de wereld vliegen leek me niet heel ideaal en sowieso, wat had ik mezelf aangedaan? Tijdens het vliegen gingen mijn oren dicht, waardoor ik bijna niets meer hoorde – maakte de overstap in Qatar iets lastiger – maar verder ging het wel. De vliegtuigen stortten niet neer, ik werd Nepal in gelaten, scoorde Nepalese roepies en wist een taxi te vinden. So far, so good.

De eerste dagen waren fantastisch en verschrikkelijk tegelijk. Door het vliegen en het tijdverschil kwam ik slaap tekort, wat nooit heel bevorderlijk is om je goed te voelen. Daarnaast was daar het enorme verschil in cultuur. Kathmandu is een aanval op je zintuigen, letterlijk ook: stof, smog, lawaai, motoren die je in steegjes bijna omver rijden, overal mensen, tempels, gebouwen die op instorten staan, gebouwen die zijn ingestort door de aardbeving van 2015, verkopers, marktkraampjes, nog meer mensen, minibussen die door het verkeer heen scheuren, aapjes die je beroven of aanvallen als je niet uitkijkt. Daarnaast had ik nog nooit eerder gebackpackt en raakte ik daar ook een beetje panisch van. De eerste drie nachten in Kathmandu had ik geboekt, maar wat zou ik daarna doen? Naar de bergen of naar het oerwoud? Alleen of met iemand mee? Allemaal gedachten die over elkaar heen buitelden en nog meer zorgen.

Ik zag en deed die eerste dagen in Kathmandu genoeg. De eerste dag raakte ik bevriend met een Nepalees die in Londen woonde, maar voor familiebezoek terug was. Hij leidde me rond door de stad, we scheurden in taxi’s door de stad heen, dronken thee op dakterrassen met de beste uitzichten en aten ergens in een buitenwijk in een familierestaurant de pittigste vis die ik ooit op had. De dagen daarop spraken we nog af en leerden we in een café een jonge vrouw kennen, als het ware de derde musketier. Ik bezocht de twee beroemdste tempels van de stad (Swayambhunath en Buddanath), ging op een stadstour met een gids mee en dronk lassi’s, en begaf me naar de uithoeken van Kathmandu om een klooster te bezoeken met mensen van het hostel. Maar juist door zoveel dingen met andere mensen te doen, had ik zelf niet echt de tijd om alles te laten bezinken en werd ik een soort van panisch.

Moeder natuur bood het antwoord en de rust. Omdat ik nog niet helemaal fit was, besloot ik de Himalayareuzen voor later te bewaren en naar het regenwoud te gaan in het zuiden van het land, nationaal park Chitwan. Toen ik in een gammele bus zat die toch zeker wel acht uur over een reis van nog niet eens zoveel kilometer zou doen, kwam de rust. De chauffeur scheurde als een gek langs ravijnen heen en op een gegeven moment dacht ik: “Het ergste wat kan gebeuren, is dat ik dood ga. Zolang ik niet dood ga, gaat alles goed.” En voilà. Daarna begon het genieten. Al de angsten die ik eerder had gehad, gleden van me af. Een les in loslaten, dus. Ik arriveerde daarna met twee nieuw ontmoette reisgenoten aan de rand van het oerwoud en keek vanaf de veranda van een eigen junglehut naar de regen die met bakken tegelijk uit de lucht kwam vallen. Ik denk dat ik vanaf dat moment pas echt begon te genieten. En vooral niet meer zo angstig was.

Ik ben daarna heel goed geworden in de gedachte “het komt wel goed”. Toen ik verdwaald was in het pikdonker in Lumbini – waar Boeddha is geboren en nu een soort tempelpark is verrezen – en steeds door militairen werd weggewuifd: uiteindelijk kwam ik twee monniken op een motor tegen die me de weg wezen naar de tempel waar ik logeerde (dit is een vrije surreële zin nu ik hem zo opschrijf). Toen de bus naar Pokhara een eeuwigheid stilstond in een stad en nog meer eeuwen deed over de weg in de bergen. Toen ik vier dagen alleen door de Himalaya ging lopen en de laatste dag me besefte dat hier ook tijgers zaten. En zelfs toen ik op een andere wandeltocht in de Himalaya iets in mijn been scheurde en niet meer kon lopen, terwijl de dichtsbijzijnde weg op twee dagen lopen was – en Kathmandu dan nog eens op een dag rijden. Maar daarover later meer, want voor mijn bergavonturen heb ik minstens nog eens 1000 woorden nodig.

You may also like

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *